Starkriet Someren-Eind

Wandeling Starkriet Someren-Eind

Datum : dinsdag 7 juli tijd: 8.00 uur- 12 uur.

Deelnemers : Milan, Mikkie, Bert, Annie,  Henriëtte, Aad

Gebied : Starkriet bij Someren-Eind . Informatie: Starkriet

Starkriet (‘sterk riet’) is de naam van een natuurgebied dat zich bevindt ten oosten van de Zuid-Willemsvaart ter hoogte van Someren-Eind in de gemeente Someren. Het gebied ligt langs de bovenloop van de Aa en is aangelegd in 2000, nadat men meer aandacht voor waterberging begon te krijgen. De Aa ontspringt in De Groote Peel en loopt via Helmond en Veghel naar Den Bosch. Via de Aa watert ook 4000 ha in Limburg af, hierdoor dreigde wateroverlast bij hevige regenval. Het Waterschap Aa en Maas besloot daarom een buffer aan te leggen dat o.a. moet voorkomen dat de auto snelweg A2 bij Den Bosch onder water loopt zoals in 1995 nog gebeurde. Met Europese subsidie werd het gebied uitgebreid met voormalige landbouwgrond welke werd omgetoverd tot een drassig woest ogend stukje natuur, waarin de 300 meter langer geworden Aa weer als vanouds kronkelt. (De ooit kronkelende Aa was bij het Starkriet in de 19e eeuw stukje bij beetje, ten behoeve van de trekschuit, zo recht als een liniaal getrokken.) Aarden wallen van verschillende hoogten binnen het gebied zorgen ervoor dat delen bij stijgende waterstanden onderlopen. Er is een overstromingsvlakte van 52 ha gecreëerd welke bij extreme omstandigheden 250.000 kubieke meter water kan bergen. Om het gebied is een kade aangelegd om de aangrenzende gronden te beschermen van wateroverlast. Het gebied is toegankelijk, maar drassig. Er zijn rietlanden en er liggen verwilderde griendbossen. Het is het eerste natuurlijke overstromingsgebied in Nederland. (ontleent aan website van starkriet.nl). Zie hieronder de omcirkelde route die we hebben gelopen.

Het eerste deel van de route is erg waterrijk. Er staat veel riet (“Starkriet” leent zijn naam hieraan). We hoorden hier de nodige RietZangers, die verscholen bleven in het riet.
Aan de rand van het riet staan veel berken bomen. Hier is een exemplaar te zien die al behoorlijk in “aftakeling ” is. Je ziet hier de boomschors aan een dode tak hangen. Verder
zie je de bekende berkenzwammen op deze berk. Deze kan je herkennen aan de typische klok vorm. Dit is een gaatjeszwam, die alleen voorkomt op zieke- of dode berken. De
schimmeldraden dringen binnen via verwondingen en daarna gaat het snel berg afwaarts met de boom. Als de boom eenmaal dood is, gaat de berkenzwam gewoon door met de
afbraak tot al het dode hout is vergaan. Het is dus goed dat er paddenstoelen bestaan, anders bleven we met al dat dode hout zitten. Nog belangrijker is dat het organische materiaal
wordt teruggegeven aan de bodem, zodat deze niet uitgeput raakt. De schimmels en zwammen zorgen er voor dat de ruwe humus wordt omgezet tot fijne bosgrond.

Aan de rand van het riet in de kale berkenbomen horen we groenlingen, geelgorsen en de tjiftjaf, zoals hieronder is te zien.

Langs het pad in het vochtige gras, zagen we diverse vinkjes. Vinkjes jawel en wel het “koevinkje” .

Kenmerken van het Koevinkje zijn :

Voorvleugellengte: 18-24 mm. De bovenkant van de vleugels is zwartachtig bruin. De onderkant van de vleugels is donkerbruin met bij het vrouwtje een goudbruine bestuiving. Op de onderkant van de voorvleugel bevinden zich drie en op de onderkant van de achtervleugel vijf grote, witgekernde en geelgeringde oogvlekken. Bij het vrouwtje zijn de ogen soms ook zichtbaar op de bovenkant.
Het is een algemene standvlinder die vooral voorkomt op de zandgronden van Zuid- en Oost-Nederland. De laatste jaren worden er ook steeds vaker koevinkjes gezien in de duinen.
De habitait is in ruige graslanden en kruidenvegetaties langs bosranden, bospaden, open plaatsen in het bos, zandpaden of houtwallen en hagen.
als ruige zegge.

Vliegtijd en gedrag

Eind juni-half augustus in één generatie. De vrouwtjes besteden veel tijd aan het zoeken van nectar van onder andere braam, koninginnenkruid en akkerdistel. De mannetjes worden zelden op bloemen gezien; ze maken veel patrouillevluchten waarbij ze vaak paden of bosranden volgen.

Levenscyclus

Rups: begin augustus-half juni. De rupsen foerageren vooral ‘s nachts; overdag rusten ze aan de voet van de waardplant. De soort overwintert als halfvolgroeide rups, verscholen in een graspol; bij zacht winterweer komen de rupsen soms tevoorschijn om te foerageren. De verpopping vindt plaats in een ijl spinsel onder aan de waardplant. Het vrouwtje laat de eieren één voor één op de grond vallen.

We lopen weer verder naar het andere deel van de route. Er wordt heel wat afgesjouwd met telescopen en en de nodige statieven. Maar niets
is de vogel liefhebber te veel als het om vogels gaat.

Uiteindelijk komen we langs een weide terecht met een kanaaltje. We kijken uit op het achtergebied van Heusden. Een luid gekwaak komt ons
tegemoet. Er zijn hier veel kikkers. Hier zien we de ‘Poelkikker” . De poelkikker is een kleine, gedrongen kikker. De meeste exemplaren zijn grasgroen gekleurd. De poelkikker komt vooral voor in wat voedselarmere wateren op de zandgronden, met een voorkeur voor vennen en hoogveen. Daarnaast komt de soort ook voor in kleinschalig cultuurlandschap, laagveen en op rivierklei. In deze laatstgenoemde habitats is het een goede indicator voor de waterkwaliteit.

In de verte (ver !! weg) horen we de koekoek. Zijn geluid draagt ver over de weide. We kunnen met onze blote ogen een stipje ontwaren boven op dode berkenbomen.
Na wat lensen wisselen kunnen we een shotje maken.

De koekoek is een schuwe vogel die zich zelden laat zien, maar veelvuldig de herkenbare roep koe-koek laat horen. Het mannetje heeft een grijze bovenzijde,
maar bij het vrouwtje bestaan twee kleurvarianten: grijs en bruin. In de vlucht vallen de spitse vleugels op, die doen denken aan de vleugels van een valk.
De koekoek is een broedparasiet en laat het broeden en grootbrengen van de jongen over aan andere vogels. De koekoek is hierin dermate gespecialiseerd dat
de eieren lijken op de eieren van de gastvogels. Meestal komt het ei van de koekoek eerder uit dan de andere eieren in het nest. De jonge koekoek gooit vlak nadat
het uit het ei is gekropen de andere eieren en eventuele jongen over de rand van het nest, zodat de vogel al het door de gastvogels aangevoerde voedsel op kan eisen.
Het vrouwtje legt in ieder nest slechts één ei en bezoekt op deze manier ongeveer tien nesten per broedseizoen.

Verder zagen we nog de Buizerd (ook uiteraard weer ver weg) die met de telescoop goed te zien was. Deze was in de vlucht goed te zien, de typische bruin met witte
vleugels. Hier zit deze vogel boven op deze bomen.


De buizerd heeft een zeer variabel gekleurd verenkleed, dat meestal bruin is met kleine, witte vlekken. Er zijn echter ook vogels met een verenkleed dat vrijwel geheel wit is. In de vlucht is de buizerd te herkennen aan de brede, hoekige vleugels, de korte hals en de gespreide, korte staart. In de vlucht laat de buizerd regelmatig een luide miauwende roep horen.

De buizerd is de meest voorkomende roofvogel van Nederland. Op warme dagen is de buizerd vaak hoog in de lucht te zien, waar de vogel in cirkels op de opstijgende warme lucht zweeft. Als het weer hiervoor niet geschikt is, dan jaagt de vogel zittend vanaf een hoge uitkijkpost. Het voedsel bestaat voornamelijk uit muizen, konijnen en andere kleine dieren. Buizerds worden vaak gezien in de buurt van autowegen, waar de vogels speuren naar dieren die het slachtoffer zijn geworden van het verkeer.

Boven op de bomen zien we een kraai. Het betreft hier een zwartbonte kraai. Hij draagt een moot “sjaaltje” .
De levenswijze van kraaien botst op sommige punten met bijvoorbeeld de belangen van boeren, doordat ze zaaigoed opeten. Daar staat tegenover dat kraaien ook een enorme hoeveelheid emelten eten, die ook schadelijk zijn voor landbouwgewassen. Kraaien vertonen opvallend intelligente gedragspatronen. Ze onderhouden een intensieve communicatie, en zijn zelfs betrapt op het gebruiken van primitieve vormen van gereedschap om problemen op te lossen, iets dat men tot voorkort aan mensen en mensapen voorbehouden achtte. Bovendien zijn kraaien (in feite alle kraaiachtigen) zangvogels! Dat is iets dat waarschijnlijk alleen door vogeltaxonomen begrepen wordt, hun gekras in aanmerking nemend.!!

Na de weilanden wordt de route weer drassig. We horen diverse riet vogels, echter door het dichte riet zijn deze niet te zien.

Al met al een leuke route om te lopen .

aadvanderpol

Comments are closed.